top of page

Wat er over ons geschreven werd

De Bòddelkèèr – als Sint-Truiden zichzelf in de lachspiegel bekijkt Jo Fabré

Dieël ieën.
Wèè da et begóst.

Wie in de zomer ergens in Groot-Sint-Truiden een groep mensen met klapstoeltjes ziet aanschuiven bij een kerk, een vierkantshoeve, een begijnhofmuur of een ander stukje Truiens erfgoed, hoeft niet meteen te denken dat er een plaatselijke bedevaart op gang komt. De kans is groot dat de Bòddelkèèr in aantocht is. En dan weet de geroutineerde Truienaar wat hem te doen staat: stoeltje openklappen, goed gaan zitten en vooral niet te ernstig blijven. Want zodra de Bòddelkèèr begint, wordt Sint-Truiden voor enkele uren tegelijk decor, onderwerp én gewillig slachtoffer van zijn eigen straattheater.

De geschiedenis van het gezelschap begint in 2009 en, zoals dat bij goede Truiense verhalen hoort, niet in een vergaderzaal met een beleidsnota van zevenendertig bladzijden, maar met een idee dat langzaam begon te gisten. Initiatiefnemer Danny Gennez, zelf jarenlang actief als gids, had daarbij twee dingen goed begrepen. Ten eerste: een mens mag dan na een rondleiding perfect weten wanneer een kerk gebouwd werd, maar wat hij thuis aan tafel vertelt, zijn doorgaans de verhalen over ruzies, intriges, verliefdheden, maîtresses en andere menselijke zwakheden. Ten tweede dacht Gennez

met enige nostalgie terug aan de tijd waarin buren elkaar nog kenden, deuren gemakkelijker openstonden en mensen op warme zomeravonden samen buiten zaten om verhalen te vertellen. Waarom, dacht hij, die twee werelden niet opnieuw samenbrengen? Niet de mensen naar een theaterzaal lokken, maar met verhalen naar de mensen toe gaan. Liefst met een caravan, want grootse culturele dromen moeten tenslotte ook ergens hun decorstukken kwijt.

Aanvankelijk dacht Gennez vooral aan verhalen over Sint-Truiden, uiteraard verteld in het Sintrùins. Zijn vriend Fonny Dirix kwam vervolgens met een kleine maar beslissende vraag: waarom er geen toneeltjes van maken? Met dat idee trok Gennez naar de erfgoedwerking, waar Lieve Opsteyns het initiatief mee ondersteunde en er voor de opstart zelfs financiële ruimte bleek te bestaan. Zo veranderde een nostalgische gedachte over zomeravonden, buurten en verhalen stilaan in echt straattheater.

 

Maar een toneelgezelschap heeft acteurs nodig. En ook die werden niet allemaal via audities achter een keurige tafel met juryleden en genummerde formulieren gevonden. Dokter Luc Renson hoorde Gennez erover praten aan de toog en was meteen geïnteresseerd. Een andere toekomstige speler kreeg het nieuws dan weer niet in een cultuurcentrum te horen, maar tijdens het zwemmen. Danny Gennez ging regelmatig baantjes trekken in het zwembad en Kathleen Smolders was er ook geregeld. Danny kende haar van een paar kleine rolletjes bij het toneelgezelschap Pol Stas en had voor de Bòddelkèèr nog een vrouw nodig. Kathleen was onmiddellijk bereid om mee te doen. Ook Herman Derwael en Chris Mathijs sloten zich bij de vroege groep aan.

Voor de muzikale begeleiding kwam er eveneens hulp. De eerste accordeoniste was zowaar een politieagente, mevrouw Galusshi, die het gezelschap uit de nood hielp omdat er vanaf het begin een Bòddelkèèr-lied was dat het publiek moest kunnen meezingen. Het betere straattheater begint blijkbaar aan de toog, wordt voorbereid in het zwembad en kan zo nodig door de politie muzikaal begeleid worden. Veel Truienser hoeft een ontstaansgeschiedenis eigenlijk niet te worden.

En dan moest het kind natuurlijk nog een naam krijgen.

Dat bleek minder eenvoudig dan men vandaag zou vermoeden. Danny Gennez krabbelde naar eigen zeggen een heel blad vol mogelijke namen. Kandidaten als de Semmeleers, de Gaffeleers, de Kondegrose en zelfs de Keskesprocessie passeerden de revue. Uiteindelijk werd het de Bòddelkèèr. Wie nu een geleerde etymologische uiteenzetting verwacht over de diepere oorsprong van die naam, moet helaas worden teleurgesteld. Zelfs de stichter bekende later dat hij niet meer precies wist waarom juist die naam het gehaald had. Misschien is dat nog het mooiste bewijs dat het een goede naam was: niemand kan hem helemaal verklaren, maar iedereen in Sint-Truiden weet inmiddels over wie men het heeft. Gennez stelde zelf tevreden vast dat de naam was blijven hangen en een begrip was geworden.

Dat eerste seizoen van 2009 was voldoende succesvol om in 2010 opnieuw van start te gaan. In dat tweede jaar werd de Bòddelkèèr gevraagd om samen met Christophe Elen een “feest” van een vrouwenvereniging op te vrolijken. Christophe had in de stad al een zekere bekendheid als zanger en als “stand-up-comedian” - al bestond dat woord toen nog niet. Achteraf raakten Gennez en Elen in gesprek en ook Christophe zag het meteen zitten: weer een acteur erbij, die bovendien een zangstem als een klok had. Het oude Bòddelkèèr-archief spreekt letterlijk over het

gezelschap dat zich na de geslaagde editie van het jaar voordien weer “op gang” trok. In 2011 vinden we al een indrukwekkende zomertocht terug langs onder meer de abdijsite, het stadspark, Bevingen, Nieuw-Sint-Truiden, Zepperen, Terbiest, het Begijnhof, Brustem, Metsteren, Ordingen en Velm. De basisformule die toen vorm kreeg, is opvallend herkenbaar gebleven.

De Bòddelkèèr speelt immers geen klassiek avondvullend toneelstuk waarin men na de eerste akte nog altijd probeert te onthouden wie nu precies met wie getrouwd is. De voorstelling heeft eerder het karakter van een revue: een spervuur van kortere scènes, sketches, liedjes en interventies met telkens een rode draad. Het onderwerp is bijna altijd Sint-Truiden – zijn geschiedenis, zijn mensen, zijn eigenaardigheden, zijn politiek en vooral zijn onuitputtelijke vermogen om zelf nieuw materiaal voor satire te produceren. Het publiek wordt daarbij niet veilig in de rol van zwijgende toeschouwer gelaten. Er wordt meegezongen, mensen worden aangesproken of naar voren gehaald en de grens tussen publiek en spelers wordt geregeld doelbewust poreus gemaakt.

Ook de taakverdeling bij het schrijven is duidelijk. De sketches, grappen, grollen en toneelstukjes worden geschreven door Danny Gennez. Christophe Elen schrijft de liedjesteksten op basis van bestaande melodietjes en schrijft ook zijn eigen monoloog.

 

Die revueformule volgt al die jaren hetzelfde, onveranderde stramien: eerst de aankondiging, dan het herkenbare Bòddelkèèr-lied, vervolgens de sketchkes, afgewisseld met zang, en als laatste de monoloog van Christophe. Iedere voorstelling wordt bovendien afgesloten met ’t Sint-Truidens volkslied gecomponeerd door Willy Dewaelheyns zaliger:

Sintrùin begòt, ich ààn van óech,

Sintrùin ich zien óech gèèn,

Bet oer famuize voetbalploeg,
 

Drèè toures op een rèè,
Sintrùin dzjee zèèt de paarel on de kroeën van Aspengou,
Be mich taas stie vàn óech ne schóene fotou op de schou

 

En in ’t vuirsezoen geeft dzjee òòs bloemepracht in uivervloed,
De bloesems vàn dèè fruitbuuëm, àl dèè kluire

Wa loater, in de zoumer, kuinigin in geel en roeët,

Dèè keeze, peere, àppel doen óech guire

Sintrùin begòt …

 

 

Sint Trúdou stie doo te geniete, ieël    oeëg in de locht,
E ziet euiver de mèrrek èn àl dèè doake,
’t Oevemuseijum, poaterskèrrek of wa dzje och mar docht,
Doo stie ter al oer schàtte te bewoake.

Sintrùin begòt …

 

Al mieër as dàttienònderd joor gezèllig èn gastvrèè,
De Trùineers stón bekénd als Bienke,
’t Festroatsúrwèrrek ’t Begèènof, rùst op ‘t Tichelrèè,
Of op de Groeëte Mèrrrek e pintsje dreinke.

En er is één ingrediënt waarover nooit discussie heeft bestaan: het Sintrùins.

Niet als folkloristisch sausje dat af en toe over een Nederlandse tekst wordt gegoten, maar als volwaardige theatertaal. Volgens de groep zelf kun je humor, gevoelens, tristesse en waarheid nu eenmaal het best uitdrukken in je eigen taal. De scenario's ontstaan aanvankelijk wel in het Algemeen Nederlands, omdat dat gemakkelijker schrijft en leest, maar tijdens de repetities beginnen de acteurs eraan te kneden. Zinnen worden in het dialect gelegd, rollen krijgen hun eigen taal en de tekst gaat steeds meer klinken zoals hij op straat zou klinken. Soms wordt bewust Nederlands gebruikt, bijvoorbeeld wanneer een personage wat deftiger, waardiger of juist potsierlijker moet overkomen. Wie als buitenstaander niet alles begrijpt, krijgt van het gezelschap zelf een uitstekende oplossing

aangereikt: neem een Truiense vriend of vriendin mee om de gaatjes op te vullen. Wie beweert dat dialect geen toeristische functie heeft, is bij deze dus gewaarschuwd.

 

Die keuze voor het dialect is meer dan een komisch effect. De Bòddelkèèr helpt daarmee een levende streektaal hoorbaar te houden. Ook organisaties rond het Sintrùins, zoals ’t Neigemènneke, worden geregeld aangesproken om teksten en taalgebruik te ondersteunen. In de Inventaris Vlaanderen voor Immaterieel Cultureel Erfgoed wordt het straattheater dan ook nadrukkelijk geplaatst binnen de thema's vertellen en taalgebruik, muziek en podiumkunsten, en lokale sociale gebruiken. Het gaat met andere woorden om méér dan een zomeravond waarop een paar Truienaren graag eens zot doen – al zouden de Bòddelkèèr zelf waarschijnlijk protesteren wanneer we het plots té ernstig beginnen uit te leggen.

 

Ook geschiedenis krijgt een hoofdrol. Zo verwerkte het gezelschap in een voorstelling over Sint-Truiden door de eeuwen heen bijvoorbeeld het bezoek van Lodewijk XIV en de gebeurtenissen rond de ontmanteling van de Truiense versterkingen. Maar geschiedenis wordt bij de Bòddelkèèr zelden behandeld alsof ze in een glazen museumkast ligt. Historische figuren worden opnieuw mensen, met hun ijdelheden en kuren, en eeuwenoude gebeurtenissen mogen gerust tegen een hedendaagse werkelijkheid aanschuren. Daarmee doet het gezelschap eigenlijk wat goede volksvertellers altijd hebben gedaan: geschiedenis niet alleen bewaren, maar ze telkens opnieuw vertellen zodat een volgende generatie er iets in herkent.

Diezelfde lachspiegel wordt zonder veel schroom voor het hedendaagse Sint-Truiden gehouden. Plaatselijke toestanden en gemeentepolitiek zijn nooit ver weg. De stad heeft het gezelschap wat dat betreft door de jaren heen genereus van scenario's voorzien. In 2023 ging een voorstelling bijvoorbeeld openlijk aan de slag met de lokale politiek, de

financiële situatie van de stad en de toen veelbesproken “geitenweide van Jelle”. De satire kan scherp zijn, maar de groep benadrukt dat ze niet bedoeld is om mensen persoonlijk te kwetsen. De Bòddelkèèr ziet zichzelf liever in de oude traditie van de nar: degene die mag lachen, aanklagen en overdrijven, en die soms juist door de grap iets kan zeggen wat in een ernstig betoog veel moeilijker verteerbaar wordt. Zoals het gezelschap zelf opmerkt, wisten narren vroeger overigens ook dat zo'n beroep niet altijd een glorieus einde kende. Het verklaart misschien waarom men vandaag toch maar een plan B voor slecht weer voorziet.

 

 

 

Ook de speelplekken behoren tot de charme. De Bòddelkèèr heeft geen eigen theaterzaal. Het gezelschap trekt naar pleinen, dorpen, hoeven en historische locaties en geeft de voorkeur aan plaatsen waar het Truiense erfgoed zelf mee decor kan spelen: het Begijnhof, historische hoeven, kastelen en dorpscentra. Decor en materiaal reizen mee en de acteurs zijn daardoor niet alleen acteur. Zij worden afwisselend sjouwer, decorbouwer, toneelmeester, schminker en manusje-van-alles. De eigen website merkt fijntjes op dat knoken en spieren daarvan met de jaren niet beter worden en dat men daarom naar lichter materiaal is gaan zoeken. Ook helden van het straattheater blijken uiteindelijk onderworpen aan de wetten van de orthopedie.

En dan is er natuurlijk dat stoeltje. Wie naar de Bòddelkèèr komt, brengt in principe zelf zijn zitplaats mee. Tickets en ingewikkelde reserveringssystemen passen niet bij hun formule. De drempel moet laag blijven; het theater trekt naar de mensen

in plaats van andersom. De organiserende plaatselijke vereniging zorgt voor het optreden en een belangrijke regel is dat de opbrengst naar een maatschappelijk of lokaal goed doel gaat: buurtwerkingen, jeugdverenigingen, solidariteitsacties en andere sociale initiatieven konden op die manier al mee profiteren. Het Limburgs Volkskundig Genootschap schatte het jaarlijkse publiek enkele jaren geleden op ongeveer 4.000 toeschouwers per seizoen.

 

Intussen is de kleine onderneming uit 2009 uitgegroeid tot een vaste waarde van de Truiense zomer. In 2026 kondigt de groep haar achttiende seizoen aan. De formule is daarbij wonderlijk herkenbaar gebleven: verhalen vertellen, geschiedenis laten leven, dialect spreken, met de actualiteit lachen, af en toe tegen heilige huisjes schoppen en het publiek vooral niet de kans geven om zich gedurende drie uur verschrikkelijk ernstig te gaan zitten gedragen.

 

Misschien verklaart dat uiteindelijk waarom de Bòddelkèèr zo goed bij Sint-Truiden past. Het gezelschap bewaart het verleden niet door er een stolp overheen te zetten. Het haalt het van zijn voetstuk, geeft het een dialectstem, trekt het een kostuum aan en laat het opnieuw over het marktplein lopen. Tegelijk wordt ook het Sint-Truiden van vandaag bekeken zoals Truienaren dat onder elkaar graag doen: met liefde, enige achterdocht en vooral voldoende zelfspot.

 

Want een stad die alleen maar ernstig over zichzelf spreekt, wordt al gauw een museum.

 

Een stad die af en toe met zichzelf kan lachen, leeft.

 

En zolang er ergens in Groot-Sint-Truiden op een zomeravond een paar honderd stoeltjes worden opengeklapt en iemand roept dat de Bòddelkèèr gaat beginnen, is de kans groot dat dat leven nog lang niet uitverteld is.

Àntrak

Et Bòddelkèèr lieke -  Tekst en muziek: Willy Dewaelheyns †

Spreingt mar be-t òòs op de bòddelkèèr
Lùistert no òòs echt gebuirt veroal
Vee brènge et vol sjwoeng èn be voul lagèèr
Al moake we vantèèt wol ewa kaboal
E vertrèkselke èè, e stùk tonieël doonoo
Spitst na mar oer oeëre, want de Trùineers dèè zén doo!  

 

       
Dieël twie
De Bòddelkèèr – uniek in Sint-Truiden, maar ook in de wereld?

Na al die jaren, sketches, liedjes, pruiken, caravanritten, politieke prikken en duizenden opengeklapte stoeltjes dringt zich vanzelf een vraag op: hoe bijzonder is de Bòddelkèèr eigenlijk? Is dit gewoon de Truiense variant van een theatervorm die overal ter wereld voorkomt, of hebben ze in Sint-Truiden zonder het goed en wel te beseffen iets gemaakt waarvoor je zelfs met een stevig internationaal vergrootglas moeilijk een tweelingbroer vindt?

Het antwoord ligt, zoals meestal, ergens tussen beide. Overal ter wereld bestaan gezelschappen en tradities die bepaalde

trekken met de Bòddelkèèr gemeen hebben. Er wordt in dialect gespeeld, de plaatselijke politiek krijgt ervan langs, liedjes worden van nieuwe teksten voorzien, historische figuren worden van hun voetstuk gehaald en de actualiteit wordt door de mangel van de satire gedraaid. Soms gebeurt dat in een theater, soms op een dorpsplein en soms midden tussen het publiek. Maar juist de combinatie van al die elementen maakt de Bòddelkèèr bijzonder.

 

Want zet de ingrediënten maar eens naast elkaar. Een vrij vaste groep amateurspelers en vrijwilligers maakt telkens opnieuw een voorstelling over de eigen stad. De streektaal, het Sintrùins, is de natuurlijke voertaal. Geen avondvullend toneelstuk, maar een revue van korte sketches, liedjes en parodieën. Geschiedenis staat er broederlijk naast gemeentepolitiek; historische personages naast bekende stadsfiguren; ernst naast klinkklare onzin. Het publiek wordt aangesproken en mag meedoen. En vervolgens blijft men niet veilig onder het dak van een schouwburg zitten, maar trekt men met decor en materiaal naar verschillende pleinen, dorpen, hoeven en erfgoedlocaties in Groot-Sint-Truiden. De officiële erfgoeddocumentatie omschrijft precies die combinatie van streektaal, revue, publieksbetrokkenheid en spelen in de leefomgeving van de toeschouwers. Voor 2026 kondigt de groep inmiddels haar achttiende seizoen aan.

 

De formule kan eigenlijk in één zin worden samengevat:

 

een stad die zichzelf, in haar eigen taal en op haar eigen straten, een spiegel voorhoudt.

En zoals het bij een goede lachspiegel hoort, wordt de neus daarin soms wat langer, de buik wat dikker en de plaatselijke politicus net iets herkenbaarder dan hem lief is.

 

Maar laten we Sint-Truiden nu niet meteen tot het centrum van het mondiale

theateruniversum uitroepen. Eerst even kijken wat de concurrentie doet.

 

Eerst naar de kust: D’Ostendsche Revue

 

Wie in Vlaanderen naar familie van de Bòddelkèèr zoekt, komt bijna vanzelf in Oostende terecht. D’Ostendsche Revue maakt sinds 1999 telkens een nieuwe revue waarin markante gebeurtenissen van het voorbije jaar en opvallende plaatselijke toestanden met sketches, humor, muziek en dans worden behandeld. En vanzelfsprekend gebeurt dat in het sappige Oostends. Wie daar een avond doorbrengt, krijgt dus ongeveer hetzelfde basisprincipe voorgeschoteld: we zullen eens zien wat er dit jaar allemaal in onze stad gebeurd is en wie daar eens goed mee uitgelachen kan worden.

 

Inhoudelijk is D’Ostendsche Revue wellicht de dichtste Vlaamse verwant. Dialect? Ja. Lokale actualiteit? Ja. Satire? Ja. Sketches en muziek?

Ja. Regelmatig nieuw materiaal? Eveneens.

 

Maar dan komt het grote verschil. In Oostende komt het publiek naar het theater. In Sint-Truiden komt de Bòddelkèèr naar het publiek.

 

De Oostendenaar krijgt een stoel van de zaal.

De Truienaar moet de zijne zelf meebrengen.

Cultureel gezien is dat misschien een klein verschil. Voor de rugspieren is het aanzienlijk.

In Hasselt spreken ze er ook hun eigen taal.

Nog dichter bij huis vinden we het Koninklijk Hasselts Operettengezelschap, het KHOG. Het gezelschap heeft wortels die teruggaan tot de jaren 1920 en schakelde na de Tweede Wereldoorlog uiteindelijk over op dialectvoorstellingen. Vanaf 1988 kwamen opnieuw revues op het programma. Bij de 95ste verjaardag in 2025 werd met Hasselt gej vir goa.d! opnieuw een grote revue gebracht, met theater, livemuziek en dans in het Hasselts.

Ook hier dus een sterke band met de stad, de eigen streektaal en de volkse revue. Alleen trekt het KHOG niet jaarlijks met een caravan langs Hasseltse straten en pleinen. Het heeft tegenwoordig zelfs een eigen thuishaven. Voor iemand van de Bòddelkèèr moet dat bijna exotisch klinken: een toneelgezelschap dat na de voorstelling zijn decor gewoon mag laten staan.

 

En dan is er De Revue

In Tessenderlo ontstond in 1954 een andere opmerkelijke traditie. Wat begon als een revue ten voordele van een Lourdesreis groeide uit tot Theatergezelschap De Revue. Vanaf 1975 werd jaarlijks een plaatselijke revue gespeeld. Oorspronkelijk lag de nadruk sterk op lokale actualiteit; later evolueerde het gezelschap naar een bredere amusementsrevue met losse sketches, originele liedjes, showballet en wisselende decors. In 2026 prijkt inmiddels de zestigste revue op de teller.

 

De familiegelijkenis is dus opnieuw duidelijk: amateurs, sketches, liedjes, nieuwe producties en een stevige dosis humor. Alleen heeft De Revue zich geleidelijk losgemaakt van de strikt lokale actualiteit en speelt ook dit gezelschap in een zaal.

 

Na onze Vlaamse rondreis begint zich daarom al iets af te tekenen: dialectrevues bestaan, lokale revues bestaan en jaarlijkse revues bestaan. De combinatie met rondtrekkend straattheater blijkt veel moeilijker te vinden.

Over de taalgrens: Doornik

Wie België wat ruimer bekijkt, stuit op een traditie die op een andere manier verrassend dicht bij Sint-Truiden komt: de Royale Compagnie du Cabaret Wallon Tournaisien.

Het gezelschap werd opgericht op 27 december 1907 en zet zich sindsdien in voor de verdediging en verspreiding van het Picardisch van Doornik. De leden doen dat vrijwillig en gebruiken liederen, monologen, poëzie, humor en satire om hun plaatselijke

taal levend te houden. Het gezelschap organiseert nog altijd voorstellingen en activiteiten rond het Picardisch.

Artistiek ziet het er anders uit dan de Bòddelkèèr, maar maatschappelijk is de verwantschap groot. In beide gevallen is dialect niet zomaar een grappig accent dat een acteur opzet omdat het publiek daar nu eenmaal om lacht. Het is de taal waarin een gemeenschap zichzelf herkent.

Wie zijn dialect op een podium zet, bewaart dus niet alleen woorden.

Hij bewaart ook manieren van denken, grappen die zich nauwelijks laten vertalen, uitdrukkingen die alleen ter plaatse helemaal begrepen worden en vooral het plezier om te kunnen zeggen: zo klàppe vee da bè-t oos.

Keulen: daar pakken ze het iets groter aan

Voor een indrukwekkende Europese neef moeten we naar Keulen. Daar brengt de Bühnenspielgemeinschaft Cäcilia Wolkenburg sinds 1874 het beroemde Divertissementchen, door de Keulenaars liefkozend et Zillche genoemd. Het gaat om een volledig nieuwe jaarlijkse productie in het Kölsch, met een eigen verhaal, nieuwe muziek, humoristische en soms bijtende verwijzingen naar het leven in Keulen, zang, dans, orkest en meer dan honderd niet-professionele spelers. Jaarlijks bereikt het spektakel tienduizenden bezoekers. In 2026 werd de traditie bovendien opgenomen in de lijst van immaterieel cultureel erfgoed van Noordrijn-Westfalen.

Qua basisidee is dit misschien een van de dichtste Europese verwanten van de Bòddelkèèr: ieder jaar iets nieuws, vrijwilligers, stadsdialect, plaatselijke geschiedenis, humor, parodie en muziek.

Alleen is het Divertissementchen ongeveer wat je krijgt wanneer je het principe van de Bòddelkèèr een operagebouw binnenstuurt, er een groot koor, een orkest, dansers en professionele technische ondersteuning bij

zet en vervolgens zegt: “Doe nu maar eens goed zot.”

 

De Bòddelkèèr heeft een caravan.

 

Keulen heeft de opera.

 

Maar ergens diep vanbinnen zijn ze familie.

 

Nog een Keulse neef: het Hänneschen-Theater

En Keulen heeft er nog één. Het historische Hänneschen-Theater bestaat sinds 1802 en speelt met stokpoppen. Dat lijkt aanvankelijk mijlenver verwijderd van Truiense straatscènes, tot je beter kijkt.

Alle stukken worden er in het Kölsch geschreven en gespeeld. De spelers spreken én zingen live, en de actualiteit kan razendsnel in de voorstelling binnendringen. Het theater vat zijn eigen werkwijze prachtig samen met de gedachte dat wat 's morgens gebeurt, 's avonds al op het toneel kan belanden. De vaste volkse personages vertegenwoordigen herkenbare types uit de Keulse samenleving.

Dialect, lokale mentaliteit, actualiteit, muziek, humor en herkenbare stadsfiguren: alweer dezelfde genen.

Alleen bestaan de acteurs hier voornamelijk uit hout.

Wat het voordeel heeft dat ze hun tekst vermoedelijk zelden vergeten.

Een Toscaans dorp dat zichzelf speelt

Voor misschien wel de mooiste vergelijking moeten we naar Monticchiello, een klein dorp in Toscane.

Daar begonnen de inwoners in 1967 met iets uitzonderlijks. Het dorp kampte met ontvolking en met het verdwijnen van de eeuwenoude landbouwmaatschappij rond de mezzadria, de deelpacht. In plaats van daar alleen maar over te vergaderen, begonnen de bewoners theater te maken. Iedere winter en lente bespreken zij gezamenlijk wat hun

gemeenschap bezighoudt. Daaruit groeit een nieuwe voorstelling, die in de zomer door de inwoners zelf op het dorpsplein wordt gespeeld.

De formule kreeg de naam autodramma: een drama dat door de gemeenschap zelf wordt bedacht, geschreven en gerealiseerd. Iedere productie wordt slechts één seizoen gespeeld.

In 2026 bracht Monticchiello met L’occhio oltre zijn zestigste autodramma. Nog altijd wordt een volledig dorp als het ware schrijver, acteur én onderwerp van zijn eigen voorstelling.

Hier raken Monticchiello en Sint-Truiden elkaar op een verrassend diep niveau.

De inwoners spelen niet zomaar voor hun gemeenschap.

Ze spelen hun gemeenschap.

Het verschil is dat Monticchiello doorgaans één doorlopend drama maakt en het dialect, de liedparodie en de revuevorm veel minder centraal staan. Maar het principe dat een plaatselijke gemeenschap haar eigen verleden, heden, conflicten en identiteit op een plein onderzoekt, komt verbluffend dicht bij de geest van de Bòddelkèèr.

Cádiz: nu komen we echt op straat

Voor het straatelement moeten we verder naar het zuiden, naar Cádiz.

Tijdens het beroemde carnaval verschijnen daar naast de officiële gezelschappen ook de zogenaamde agrupaciones callejeras, traditioneel eveneens ilegales genoemd. Zij trekken de straten in en brengen hun repertoire rechtstreeks tussen de mensen. Volgens de stad Cádiz is juist die massale deelname van de bevolking in de straat essentieel voor het eigen karakter van het carnaval; de teksten van de ilegales worden er zelfs omschreven als bij uitstek grappig, subversief en ongegeneerd.

Vooral de straat-chirigotas zijn interessant voor onze vergelijking. Elk carnavalsjaar verschijnen nieuwe groepen, nieuwe vermommingen en nieuwe teksten. Politiek, maatschappelijke toestanden en plaatselijke absurditeiten worden in satirische liederen verwerkt. En dat gebeurt niet op veilige afstand van het publiek, maar midden in straten, steegjes en op pleinen.

 

Daar staat de Bòddelkèèr plots niet meer zo alleen.

 

Het grootste verschil is dat Cádiz veel sterker door zang wordt gedragen en volledig ingebed zit in de carnavalsperiode. Maar wie ooit een Bòddelkèèr-speler tussen zijn publiek heeft zien duiken, zou zich tussen de straatgroepen van Cádiz vermoedelijk verrassend snel thuis voelen.

 

Al helpt het wanneer hij Spaans kent.

 

Of bijzonder overtuigend Sintrùins spreekt.

 

En uiteindelijk belanden we in Montevideo.

Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan vinden we nog een fascinerende verwant: de Uruguayaanse murga.

Tijdens het meer dan veertig dagen durende carnaval van Montevideo brengen murgagroepen koorzang, satirische teksten en scherpe sociale en politieke kritiek. Naast het officiële concours trekken de deelnemende groepen langs tablados, buurtpodia verspreid over Montevideo. Sommige podia worden door buurtverenigingen en lokale organisaties gedragen en functioneren als echte ontmoetingsplaatsen voor de wijk.

De schaal is anders, het muzikale karakter veel uitgesprokener en van een afzonderlijk stadsdialect zoals het Sintrùins is geen sprake. Maar het principe is opnieuw herkenbaar: mensen nemen de samenleving waarin zij leven, maken er ieder jaar nieuw materiaal van en geven het met humor, muziek en satire terug aan diezelfde gemeenschap.

Een kleine maar belangrijke erfgoedkundige nuance is hier nodig. Niet de murga zelf staat op de UNESCO-lijst van immaterieel erfgoed.

Die internationale erkenning geldt voor het Afro-Uruguayaanse candombe en zijn sociaal-culturele ruimte. De murga wordt door de stad Montevideo zelf wel nadrukkelijk omschreven als een van de karakteristieke uitingen van het Uruguayaanse carnaval.

En daarmee zijn we, na Oostende, Hasselt, Tessenderlo, Doornik, Keulen, Toscane, Cádiz en Montevideo, zowat de halve wereld rond geweest.

Dus... is de Bòddelkèèr werkelijk uniek?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hier moeten we voorzichtig zijn. Beweren dat nergens ter wereld nog een vergelijkbaar gezelschap bestaat, zou meer zelfvertrouwen dan wetenschappelijke voorzichtigheid vereisen. Volkscultuur laat zich nu eenmaal slecht volledig inventariseren. Er kunnen in een dorp in Sicilië, een wijk in Buenos Aires of een stadje in Beieren mensen rondlopen die ieder jaar ongeveer hetzelfde doen en nog nooit gedacht hebben dat ze daarvoor een website nodig hadden.

Maar na vergelijking met goed gedocumenteerde voorbeelden valt wel iets op.

Voor elk afzonderlijk element van de Bòddelkèèr bestaan parallellen. Voor dialectrevue kunnen we naar Oostende, Hasselt, Doornik of Keulen. Voor jaarlijks gemeenschapstheater naar Monticchiello.

Voor politieke en maatschappelijke satire in de straat naar Cádiz. Voor muzikaal volkstheater dat ieder jaar de actualiteit verwerkt en door de wijken trekt naar Montevideo.

Wat veel moeilijker te vinden is, is één gezelschap dat alles tegelijk doet: jaarlijks een nieuwe productie maken; vrijwel geheel in het eigen stadsdialect spelen; korte sketches met liedjes en parodieën combineren; zowel plaatselijke geschiedenis als actuele stads- en gemeentepolitiek behandelen; rechtstreeks met het publiek communiceren; met vrijwilligers werken; én vervolgens niet in één zaal blijven zitten, maar met zijn voorstelling langs verschillende locaties van de eigen stad trekken.

Precies daar bevindt zich het bijzondere karakter van de Bòddelkèèr.

Niet omdat de afzonderlijke ingrediënten nergens anders bestaan.

Maar omdat men in Sint-Truiden een merkwaardige culturele hutsepot heeft gemaakt waarvan de ingrediënten elders over verschillende potten verdeeld zitten.

De Vlaamse dialectrevue zit erin.

Het lokale politieke cabaret zit erin.

Het volkse lied zit erin.

De mondelinge stadsgeschiedenis zit erin.

Het gemeenschapstheater zit erin.

En vooral: het straattheater zit erin.

Dat laatste verandert veel. De stad is bij de Bòddelkèèr niet alleen het onderwerp van de

voorstelling. Zij wordt letterlijk het decor ervan. Een historische hoeve, een dorpsplein, het Begijnhof of een andere erfgoedplek krijgt gedurende enkele uren opnieuw een stem. Het publiek zit niet anoniem in rij 14, stoel 27. Het zit op zijn eigen meegebrachte klapstoel op enkele meters van de spelers, tussen buren en bekenden, op een plek waar het misschien dagelijks voorbijloopt.

En misschien is dát uiteindelijk belangrijker dan de vraag of we er het etiket “uniek in de wereld” op mogen kleven.

Voor zover uit de onderzochte en publiek gedocumenteerde voorbeelden blijkt, is een echte één-op-ééntegenhanger — jaarlijks nieuw, mobiel door de stad, in het eigen stadsdialect, met sketches, liedparodieën, geschiedenis, lokale actualiteit, politieke satire én publieksparticipatie — bijzonder moeilijk te vinden.

De Bòddelkèèr mag daarom zonder overdrijving uiterst zeldzaam worden genoemd.

Misschien zelfs uniek.

Maar wie dat laatste absoluut wil bewijzen, zal eerst nog alle straattheatergroepen ter wereld moeten bezoeken.

Een vervelende opdracht lijkt ons dat niet.

We stellen alleen voor dat Sint-Truiden de reiskosten betaalt.

Tot iemand die exacte tegenhanger gevonden heeft, kunnen we het misschien zo formuleren:

De Bòddelkèèr is een stad die ieder jaar opnieuw haar eigen verhaal vertelt, in haar eigen taal, tussen haar eigen mensen en op haar eigen straten.

En dát is, waar je ter wereld ook gaat kijken, behoorlijk bijzonder.

Jo Fabre

Bronnen

Limburgs Volkskundig Genootschap,

Volksverhalen en straattoneel: De Boddelkèèr uit St Truiden (2023), interview met voorzitter en stichter Danny Gennez. Belangrijkste bron voor de ontstaansgeschiedenis vanaf 2009, de eerste medewerkers, de keuze van de naam en de oorspronkelijke uitgangspunten van het gezelschap.

Inventaris Vlaanderen – Immaterieel Cultureel Erfgoed,

Straattheater in ’t Sintrùins door de Bòddelkèèr. Beschrijving van de speelwijze, het gebruik van dialect, publieksinteractie, historische thema's, speelplekken en maatschappelijke doelstelling.

De Bòddelkèèr, officiële website, rubrieken Over ons en Voorstellingen. Informatie over formule, werking, samenstelling, decor, goede-doelenprincipe en seizoen 2026.

De Bòddelkèèr – Echt Sintruins straattheater, historisch weblog van het gezelschap. Archiefmateriaal over de succesvolle eerste editie van 2009 en de speelkalender uit de beginjaren, onder meer 2010 en 2011.

Limburgs Volkskundig Genootschap,

Ne zoumer zonder de Bòddelkèèr is ginne zoumer. Achtergrond over het gezelschap, de jaarlijkse nieuwe voorstellingen en publieksbereik.

CEMPER – Centrum voor Muziek- en Podiumerfgoed,

dossier over immaterieel erfgoed van theater, met de Bòddelkèèr als voorbeeld van levend dialect- en straattheater.

’t Neigemènneke, documentatie over het Sintrùins en de samenwerking met de Bòddelkèèr voor dialectteksten.

De Bòddelkèèr, officiële website, Voorstellingen – Achtieënde sezoen 2026, voor het achttiende seizoen, het straattheaterkarakter en de speelwijze.

Werkplaats immaterieel erfgoed / immaterieelerfgoed.be, Straattheater in ’t Sintrùins door de Bòddelkèèr, voor de 

revueformule, het gebruik van het Sintrùins, publieksbetrokkenheid, historische en politieke onderwerpen, speelplekken en maatschappelijke werking.

D’Ostendsche Revue, officiële gezelschapswebsite, Over ons, voor de jaarlijkse Oostendse revue, het dialect, de lokale actualiteit, sketches, dans en muzikale acts.

Koninklijk Hasselts Operettengezelschap, officiële website, Over ons, en cultuurcentrum Hasselt, voor de geschiedenis van het dialecttheater en de revue Hasselt gej vir goa.d! uit 2025.

Theatergezelschap De Revue, officiële website, Hoe is “revue” en “De Revue” ontstaan?, voor het ontstaan in 1954, de jaarlijkse revue sinds 1975 en de evolutie van lokale satire naar amusementsrevue.

Royale Compagnie du Cabaret Wallon Tournaisien, officiële website, voor de oprichting in 1907, het vrijwillige karakter en het behoud van het Picardisch door liederen, monologen en andere literaire vormen.

Cäcilia Wolkenburg – Divertissementchen, officiële website, voor de sinds 1874 bestaande jaarlijkse Kölsche productie, het vrijwilligersensemble, de nieuwe jaarlijkse teksten en muziek en de band met Keulen.

Hänneschen-Theater der Stadt Köln, officiële website, voor het sinds 1802 bestaande poppentheater, de Kölsche voertaal, livemuziek en verwerking van actuele gebeurtenissen.

Teatro Povero di Monticchiello, officiële website, Breve storia del Teatro Povero en Autodramma, en Fondazione Musei Senesi, voor de jaarlijkse gemeenschapstheatertraditie sinds 1967 en het zestigste autodramma in 2026.

Ayuntamiento de Cádiz, documentatie over El Carnaval en la Calle, voor het belang van de straatcultuur, de agrupaciones callejeras of ilegales, humor en satirische carnavalsliederen.

Intendencia de Montevideo, officiële documentatie over Carnaval y Llamadas en het Concurso Oficial, voor de Uruguayaanse murga, de sociale en politieke satire en de rondgang langs de tablados in de verschillende wijken.

UNESCO, Representative List of the Intangible Cultural Heritage of Humanity, Candombe and its socio-cultural space: a community practice, voor de correcte afbakening van de UNESCO-erkenning in Montevideo.

bottom of page